Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alles toch wat hier betrekking heeft op het goed recht of op den oorsprong der Overheid blijft buiten den gezichtskring.

Het wordt niet bestreden.

Maar, het is wel degelijk de vraag : of de Overheid eene taak heeft ten aanzien van „de prediking des Evangelies," „de uitbreiding van het Rijk Gods,' „den strijd tegen de dwaling," „het onderhoud van den eeredienst," enz.

Onafhankelijk van de vraag hoe men die en die uitdrukkingen in Art. XXXVI naar de regelen der grammaticale, historische, dogmatische uitlegging te verstaan heeft, is het feit dat onze Kerk aan de Overheid een en ander opdraagt, waartoe zij naar het oordeel der Revolutionairen en Antirevolutionairen beiden, niet bevoegd is.

Hierover loopt dus het geding. Dit verschil mag niet worden gebagatelliseerd. Het oordeel over het verleden, de gedragslijn voor het heden en de toekomst van de Kerk en den Staat hangt er aan.

Het is enkel de vraag : of zij soms gelijk hebben, die van oordeel zijn, dat onze vaderen zich nog niet hadden losgemaakt van Roomsche invloeden toen zij aan de Overheid een oordeel toekenden over zaken de Religie betreffende.

Hierover nu hadden wij verwacht Dr. Kuyper te hooren, met het doel ons door hem te laten onderrichten, indien het ons na onderzoek mocht blijken, dat hij gelijk had.

Van daar onze teleurstelling.

Het fatale in den geheelen opzet van Dr. Kuyper's betoog ligt dus hierin, dat hij 1° zijne positie en het Gereformeerd Kerkrechterlijk standpunt vergetende, van meet af gaat bouwen op een terrein dat het zijne niet is, en verder dat hij 2° met twee begrippen gaat arbeiden die, op zijn minst gezegd, aanleiding geven tot misverstand en het gevaar doen ontstaan dat

Sluiten