Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil des Heeren te onderzoeken en dien wil te doen.

In het thans te bespreken opstel van de Heraut i) worden allerlei voorbeelden gegeven van menschen, die zekere plichten te vervullen hebben, maar wien het door de omstandigheden waarin zij verkeeren, wordt belet.

Een vader moet zijne kinderen opvoeden, maar hij kan dit niet doen, wanneer hij om des geloofs wille vervolgd, in de gevangenis zit, of den brandstapel beklom. Een voorbijganger moet trachten den ongelukkige, die in het water viel, te redden, maar indien men hem vastbindt moet hij zich toch maar in het onvermijdelijke schikken en het slachtoffer laten verdrinken.

De Overheid zou, zoo luidt de conclusie, gehouden zijn Gods, in de Schrift geopenbaarden wil te volbrengen, indien zij kon en mocht d. i. indien die omstandigheden, of die redenen haar dit niet verboden.

Men zal met groote belangstelling uitzien naar de gronden waarop een zoo merkwaardig gevoelen rust. Het verheugt ons dus dat ze in de laatste opstellen van deze reeks met de noodige uitvoerigheid worden aangewezen.

In afwachting van het straks in te stellen onderzoek mogen wij echter nu reeds met groote voldoening constateeren, dat het onrecht waarover Dr. Kuyper zich in n°. II60 van de Heraut beklaagde niet zoo bijster groot is geweest. 2)

Men had hem toegedicht, dat hij de Overheid alleen aan de natuurlijke Godskennis gebonden achtte.

Naar het scheen ten onrechte.

Men zou dit, ten minste, hebben afgeleid uit de hierboven aangehaalde volzinnen en vele andere, die even duidelijk te kennen geven dat de Overheid de redevi voor hare gedraging nooit anders dan bij God mocht zoeken.

1) No. 1171.

2) Zie hierboven blz. 58 vv.

Sluiten