Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring wenschte hij bijv. aan te toonen dat de voorstanders van de als nationale Kerk optredende volkskerk, die het zoo nauw niet nam met haar confessioneel karakter en daarom zoo velerlei kon omvatten, geen recht hadden zich op Artikel XXXVI te beroepen.

Daartoe moest in dit geval de nadruk worden gelegd op de confessie, op de religie, alsof de Kerk in het betoog van Dr. Kuyper niet de geïnstitueerde en ge deelde Kerk ware. Maar dit belet hem niet dit confessioneel karakter straks weer, indien het in de discussie zoo te pas komt, ten eenenmale te verloochenen.

In n° 1187 wordt, namelijk het beroep op ditzelfde artikel weer op eene andere wijze afgesneden.

Vele belijdenisschriften zijn, zooals men weet, opgesteld met het doel om voor de kerk de gunst van de Overheid en met deze gunst de door haar gewenschte steun ten minste, de noodige vrijheid te winnen. Hieruit leidt de schrijver dus af, dat bedoeld Artikel niet in de confessie behoort.

Hij zegt dit, let wel! in dit verband.

Het staat, evenwel, te bezien, of hij, die dit argument aanvoert ook bereid zou zijn, de potestas dogmatica der Kerk te loochenen, en den wetenschappelijken grondslag der Vrije Universiteit te ondermijnen. Laten wij dit evenwel in het midden. Er zijn gegevens in de geschiedenis van het kerkelijk conflict en van de juridische faculteit aan de school op gereformeerden grondslag, die ons op dit punt minder beslist doen spreken dan wij anders zouden doen. Wij nemen voorshands evenwel, liever aan, dat het bedenkelijke in bovenstaande opmerking en het gebruik dat hiervan wordt gemaakt den betoogtrant van den schrijver geldt.

Anders stuiten wij ook hier op een punt van verschil dat diep ingrijpt en een afzonderlijk onderzoek eischt.

Heel lang behoeven wij op dit punt, echter niet in onzekerheid te verkeeren.

Dr. Kuyper komt nu in zijne kracht.

Sluiten