Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Instituut afwijken zijn naar dezen maatstaf beoordeeld feitelijk geene Kerk. Rome alleen trekt deze consequentie, maar zij ligt in beginsel in de opvatting van Dr. Kuyper opgesloten.

Hij verstaat »onder Kerk als Instituut een kring van personen die in een kerkverband leven en dit kerkverband doen uitkomen in belijdenis en kerkorde." i)

Uit die opvatting is allerlei af te leiden, dat wij nu ter sprake brengen.

In de eerste plaats blijkt zonneklaar dat zijne geheele oppositie tegen Artikel XXXVI, voor zoover zij een beginsel raakt, uit deze misvatting van de eigenlijke kwestie en nader uit zijn van onze Belijdenis afwijkend kerkbegrip voortkomt.

Dr. Kuyper ziet allerlei Kerken of genootschappen die in allerlei opzicht van elkander verschillen en vraagt nu niet: hoe hebben wij naar Gods Woord en onze Belijdenis over die Kerken te oordeelen ; maar : hoe kan de Overheid, die wel iets anders te doen heeft, een oordeel over de met deze pluriformiteit samenhangende splinterige kwesties vellen, waaronder er zoovelen zijn die buiten bet geestelijke leven omgaan ?

Was het evenwel denkbaar dat de Kerken hun onderling verschil konden bijleggen, zoodat zij tegenover de Overheid als eenheid optraden, dan zou het bezwaar, dat thans nog bestaat, in zijn oog, geheel vervallen.

Men leest namelijk in No. 1186 van de Heraut als volgt:

«Zoolang de Kerk in ééne gestalte met ééne belijdenis als innerlijke en uitwendige eenheid optreedt, rijst er onder ons geen verschil hoegenaamd over de taak, die de Overheid jegens deze ééne Kerk te vervullen heeft."

Hieruit blijkt al weer voor de zooveelste maal dat Dr. Kuyper geen principieel, uit het onderscheid der beide vroeger genoemde sferen voortvloeiend en daarom onoplosbaar bezwaar, tegen Art. XXXVI heeft:

1) De Heraut No. 1155.

Sluiten