Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haar woont, die haar in alle waarheid leidt en dat zij van God geroepen is een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en het Woord Gods te bedienen.

De vraag waarop de Overheid een antwoord heeft te geven is deze : zal ik deze, die tot mij komt »in den Naam des Heeren" erkennen of afwijzen, haar in staat stellen hare roeping te vervullen of mij niet aan haar laten gelegen liggen, naar haar hooren en waar het noodig^ is haar raadplegen, of mijns weegs gaan alsof Christus niet in der wereld gegeven ware tot een Heer over allen ?

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend, indien de Staat de Kerk als van publieken rechte handhaaft; ontkennend, indien de Kerk voor den Staat óf een vereeniging, óf eene stichting, óf een genootschap is. Immers, dit zijn zuiver menschelijke instellingen, terwijl de Kerk is eene Godmenschelijke instelling.

Zij past niet in het kader dat de Staat voor haar in gereedheid heeft gebracht. Wat zij is, leert het Woord Gods en dat Woord alleen.

Dit alles is, indien de quaestie zuiver gesteld wordt voor geen tegenspraak vatbaar. Het ligt in den aard der zaak.

Maar dan volgt hieruit dat de Staat niet twee of meer kerken als van publieken rechte kan handhaven ; evenmin als twee Christussen. Hij kan vele kerken toelaten, v r ij laten optetreden en te arbeiden, slechts ééne Kerk is er, wier belijdenis «publiekelijk wordt uitgevoerd en beschermd". Men kan de consequentie niet ontgaan, tenzij men ontkent dat de overheid gebonden is aan den geopenbaarden wil van God, d. i. aan Gods Woord.

Het is noodig het terrein van den Staat af te bakenen.

Hij is niet bevoegd het Woord in het openbaar uit te leggen d. i. hij heeft geene belijdenis en geene catechismus te leveren . . . maar hij mag en moet oor-

Sluiten