Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kustgewest van Opper-Guinëa van Kaap Verga tot Kaap Mesurado, waar op een klein grondgebied een opeenhooping was van negers van allerlei rassen, die uit de slavernij bevrijd waren. Toen Wilham Johnson daar in 1816 kwam vond hij een bevolking, die half dood van honger, in de grootste onreinheid en behalve in lichamelijke ook in de grootste geestelijke slavernij leefde. Tegenover de bewijzen zijner liefde bleven zij hard. Zij hadden te veel van de blanken geleden dan dat het Evangelie door een blanken man gebracht, hun welkom kon zijn. De hemel met de blanken was hun een verschrikking. De hel zonder hen zou hun een begeerlijk oord toegeschenen hebben. Maar echte liefde volhardt op hope, waar schijnbaar niet te hopen is. De kloeke Zendeling verschafte hun voedsel en toonde hun een onuitsprekelijk geduld. Weldra begonnen zij zich om zijn hut te verzamelen. Zijn school begon zich te vullen. En in minder dan een jaar tijds konden die menschen, die nooit een boek gezien hadden, het N. T. lezen. Maar zoo ontzettend veel bezwaren waren er te overwinnen, terwijl het moordend klimaat hem van al zijn medehelpers beroofde, dat zijn geloof nu en dan op het punt was van te bezwijken. Eens had hij zich in het woud teruggetrokken om zich aan zijn droeve overpeinzingen over te geven, toen hij op diezelfde plek een van die arme slaven hoorde bidden om de vrijheid der kinderen Gods. Toen viel er een lichtstraal van boven in zijn ziel, die zijn zinkenden moed deed herleven, en een stem in zijn binnenste zei

Sluiten