Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij begeven ons vervolgens naar de Fidsji-eilanden ten N. O. van Caledonie, de belangrijkste en vruchtbaarste eilanden van Polynesiö, waar in 1838 John Hunt, een Engelsche boerenzoon, landde met het doel om het Evangelie te brengen. Of het noodig was? Hoort wat een ooggetuige zegt van de eilanden en hun bewoners. De Schepper had dit deel van zijn Rijksgebied overvloedig met schoonheid en weldaden begiftigd. Alles was er liefelijk voor het oog; alleen de mensch, voor wien dat alles was, was weerzinwekkend: „Een voorhoofd doorgroefd met rimpels, machtig wijde en snuivende neusgaten, groote met bloed beloopen oogen, die vreeselijke bliksems uitschieten. Een mond die verschrikkelijk verbreed is door een trek, die verachting en moordzucht aanduidt. Een lichaam onderhevig aan onophoudelijke beweging en van hoofd tot voeten steeds trillend, iedere spier gestrekt, de vuist gesloten en ongeduldig om zich te doopen in het bloed van ieder, die hem in het minst beleedigt. — Zóó ziet de woedende duivel er uit, die zich Fidsjiër noemt".

Vreeselijk was de toestand op de eilanden nog 60 jaar geleden. Men vond er twee gruwelijke gewoonten. De eene was dat men van alle jonggeboornen minstens twee derden ter dood bracht. Ieder dorp bezat zijn aangewezen beul, die had toe te zien dat de kinderen hem niet ontsnapten. Wederkeerig spaarden ook de kinderen, tot wasdom gekomen, de ouders niet. Als vader en moeder oud en zwak werden ontdeed men er zich van.

Sluiten