Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een der opgezetenen, welke met zijn vrouw behoorde tot de eersten, die tot het Christendom toetraden, kort na de toetreding door den Djoeragan en priester aangezegd, dat dientengevolge een gedeelte van den akker, dien hij sedert een aantal jaren als het hem toekomende aandeel in de nalatenschap zijns vaders bezeten had, nu verviel aan zijn broeders, aan welke het dan ook overgedragen werd.

„Het was eerst kort voor mijn vertrek van Java, dat mij door de vrouw hiervan mededeeling gedaan werd, terwijl de man, die stervende was en spoedig daarna overleed, mij geen inlichting meer geven kon. Onderworpen aan den wil zijner meerderen, wellicht ook uit vrees, had hij, die evenals zijn vrouw reeds bejaard was, zich hierover bij anderen niet beklaagd, ofschoon de akker, die vroeger voldoende voor hun onderhoud opbracht, dit nu niet meer deed, zoodat zij gebrek leden....

„Het boek der inschrijvingen van de rechten der opgezetenen op den grond bevestigde dat de vervreemding op het aangegeven tijdstip had plaats gevonden 1"

Over den rechtstoestand der inlandsche Christenen wordt in de laatste jaren ook in onze regeeringskringen veel gesproken, dank zij het initiatief der mannen, die de Zending ook in onze Staten-Generaal ter sprake brachten. In hoeverre aan de bovengenoemde toestanden een einde is gekomen weet ik niet; maar in 1885 werd over deze zaak door den Ned. Ind.-Zendingsbond een verzoekschrift aan den Gouverneur-Generaal aangeboden, waarin o. a. deze volzin voorkomt:

Sluiten