Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minuten is die plek van uit Jeruzalem te bereiken. De weg voert door het dal Josaphat met zijn vele graven en grafzerken en, dicht bij den Olijfberg, over de nu droge bedding van de beek Kedron.

Een wandeling tusschen de graven door, die door

de heldere maan beschenen worden ja, dat paste

bij de gedachten, die gaandeweg de overhand nemen in de ziel des Heeren. Doodsgedachten zijn het; doch zoolang als Hij licht ziet, licht van boven, het licht zijns Vaders, zoolang verschrikken Hem die doodsgedachten niet. Zwijgend wandelen zij eerst een poos voort, totdat de Heer de stilte verbreekt met te spreken: „Gij zult u allen in dezen nacht aan Mij ergeren; want er staat geschreven: „Ik zal den Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden." (Matth. 26 : 31). Het is Simon weer, die Hem tegenspreekt, verklarende zich nooit aan Hem te zullen ergeren, en de anderen vallen hun

vriend bij neen nooit zullen zij zich aan Hem

ergeren, „al moesten zij ook met Hem sterven." Ze moeten Hem toch goed doen, die plechtige verzekeringen van zijner jongeren trouwe aanhankelijkheid, ook al weet Hij het dat Hij er in beslissende ure niet op zal kunnen rekenen. Des menschen Zoon voelde ook menschelijk; vriendenharten zijn schatten, die ook Hij op prijs stelt. Hun nabijheid op den weg tusschen de graven door, den weg naar zijn kruis en graf, is Hem een verkwikking. Hoe meer Hij echter het doel van zijn nachtelijken tocht, den hof Gethsemané nadert, des te onrustiger wordt het

Sluiten