Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doods te gaan, die Jezus, die reeds maanden lang de zijnen had voorbereid op hetgeen nu zou komen? die Jezus die het kleine geloof zijner vrienden, de zwakheid van hun Godsbetrouwen zoo dikwijls had bestraft? Ontzinkt Hem zelf nu de moed, nu het beslissende oogenblik er nog niet eens is? Levert de menschheid niet voorbeelden op van doodsverachting bij groote zondaren, van juichenden heldenmoed bij martelaren, van ongebroken kracht tegenover den dood, die ten slotte toch allen overwinnen moet? Wordt hier de groote Jezus klein tegenover dezulken ?

Hoe is toch Jezus zoo in doodsangst, dat Hij, liggende op zijn knieën, smeekt: „Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan, doch niet mijn wil, maar uw wil geschiede"? Versta ik ons tekstwoord goed, dan antwoord ik op die vragen: die doodsangst is van den Vader over Hem gebracht. Die had Hem geroepen om Hoogepriester te zijn, dragende op zijn hart de schuld zijns volks, die Hij verzoenen moest door zijn gehoorzaamheid.

Hij zelf is met vreugde in dat werk des Hoogepriesters ingetreden. Bij zijn doop heeft Hij er de wijding toe ontvangen, gelijk die doop zelf van zijn kant beteekende de volkomen vereenzelviging met de zondige menschheid.

Welnu, wat heeft Hij tot nog toe in dat Hoogepriesterschap meegedragen, meegevoeld met zijn volk, met de menschheid? Haar smart, haar krankheid, haar lijden, haar ellende alles voelde Hij

Sluiten