Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van over. Dat dorre hout is de zondaar, die den tijd der genade, het heden des heils, ongebruikt laat voorbijgaan, de zondaar die niet wil bedenken wat tot zijn eeuwigen vrede dient, de zondaar die in God zijn vijand ziet, omdat die God hem pijn moet doen door hem zijn schuld te ontdekken. Dat dorre hout, dat is het onboetvaardige menschenhart, dat den Christus verwerpt, omdat het niet geleerd heeft medelijden te hebben met zich zelf. Nu is er nog een derde hout. Ik bedoel de tak, die van den wilden olijfboom afgesneden, tegen de natuur in, op den edelen olijfboom wordt ingeënt, om vrucht voort te brengen. Dat hout is de zondaar, die door boete en geloof kwam tot de levensgemeenschap met den Christus. God geve dat wij allen daarin ons beeld erkennen mogen. Als wij dan den blik slaan op den Kruisdrager, die heengaat naar Golgotha, dan stemmen wij geen doodenklacht aan als Israëls vrouwen, maar wij voelen wat de dichter zong in zijn lied:

„Voor mij droegt Gij dit kruis, voor mij dien vloek o Heer! Gij zieltoogde om voor mij den doodschrik te overwinnen; Voor mij zonkt Gij in 't diepst van 'slijdens afgrond neêr, O nu besef ik eerst, hoe teêr Gij mij moest minnen, Gij smetloos Godslam, Gij die 't kwaad niet hebt gekend,

Mijn eerkroon, Vredevorst, mijn Redder uit d'ellend!"

Ten slotte nog de vergelijking tusschen des Heeren intocht in Jeruzalem en dezen zijn mYtocht uit de stad zijner vaderen, die immers de profeten had gegedood en gesteenigd, die van God tot haar gezonden waren.

Sluiten