Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er, bij zijn betrekkei ij k geringen toevoer van eiwit, meer dan ieder ander op letten, zoo mogelijk, goed, d. w. z. in het darmkanaal gemakkei ij k op te zuigen eiwit met zijn voedsel tot zich te nemen. Met betrekking hiertoe komt de vraag bij ons op, wélk eiwit, het dierlijke of het plantaardige, voor ons de meeste waarde heeft. Ofschoon de Vegetariërs als leeken zich van een oordeel hierover moesten onthouden, aarzelen zij geen oogenblik te zeggen, dat het plantaardige eiwit voor het menschelijk organisme van evenveel, zoo niet van grooter nut is, dan het dierlijke. De medici beweren integendeel dikwijls het omgekeerde. Het vraagstuk is niet zoo eenvoudig als velen meenen, en daarom houd ik eene opheldering van dit belangrijke en interessante punt voor onmisbaar. In het algemeen wordt er in het darmkanaal minder voedsel opgenomen uit vegetabiliën, dan uit dierlijke voedingsmiddelen, en dit juist met betrekking tot eiwit en koolhydraten. De oorzaak daarvan ligt in de wijze, waarop de voedingsstoffen binnen in de plantaardige voedingsmiddelen besloten liggen. Deze stoffen zijn namelijk bij de granen, de peulvruchten, bij het fruit en de zaadvruchten door plantencellen omgeven, wier wand bestaat uit de voor het m e n s c h e 1 ij k verteringskanaal onverteerbare cellulose. Zeer sterk springt dit nadeel juist bij de cerealiën in 't oog. Het is in 't algemeen niet genoeg bekend, hoe grooten invloed de soort meel van het baksel heeft op het opnemen van de voedingsstoffen die het bevat, in het lichaam. Het fijne meel, dat alleen bestaat uit het binnenste van de rogge- en tarwekorrels is heel licht verteerbaar. Worden echter de zemelen, dat zijn de cellulose-bevattende omhulsels der korrels, meegebakken, dan wordt het baksel dadelijk minder goed verteerbaar. Van ongemalen tarwebrood werd b.v. 30 %>, van ongemalen roggebrood (pompernikkel en dergelijke) zelfs 45% der vaste bestanddeelen onverteerd weer uitgescheiden.

Zeer leerrijk is in dit opzicht de volgende kleine tabel, die ik overgenomen heb uit het „Handbuch der Ernahrungstherapie" van von Leyden waarin Rubner de voedings-physiologie behandelt:

Sluiten