Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot schrik van alle andere? Dit zou in strijd zijn met het idee van God die slechts gelukkige wezens wilde scheppen, en daarom is het God verloochenen dit grondbeginsel te vergeten."

G I e f z è s beroept zich, merkwaardig genoeg, bij deze bewijsvoering op de uitspraak van den heide nschen Socrates: „Hoe matiger men eet, hoe dichter men den Goden nabij komt, die niets noodig hebben." De vergelijking van de menschen met de Goden, zelfs met die van het heidensche Griekenland is slecht gekozen: de menschen leven nu eenmaal niet in den hemel, en hebben niet de volmaakte macht der Goden, die nemen wat hun niet gegeven wordt, en ook het vleesch niet versmaad hebben, als het hun als een offer door de slechte menschen aangeboden werd. Als de Goden het dierendooden als iets zondigs, onnatuurlijks, onmenschelijks beschouwd hadden, dan had de verstandige Pythagoras hun niet een geheele hekatombe te gelijk geofferd! Men zou dan bijna geneigd zijn te zeggen, dat het vleesch alleen goed was voor de Goden en dat de armzalige aardebewoners zich maar moeten vergenoegen met plantaardig voedsel.

Maar laten wij, na deze afdwaling naar de mythologie der heidenen, terugkeeren naar de „Heilige Schrift" der geloovigen. Ik moet er nog slechts de aandacht op vestigen, dat zelfs de voor de Vegetarërs gunstigste opvatting van den bijbel, in den zin van de geschiedkundige critiek, die de moderne theologische wetenschap voor de eenig ware houdt, slechts aantoont, dat de mensch der schepping in het eerste begin van zijne ontwikkeling vruchteneter geweest is. „Overeenkomstig de natuur" was dit voedsel slechts voor de menschen van het paradijs, voor de menschen in den oertoestand eener hen omringende ongerepte natuur. De bijbel is een patriarchaal boek, dat ons den mensch beschrijft op den eersten trap van zijne ontwikkeling. De historische critiek van dit boek zal elk onpartijdig beoordeelaar juist tot de tegenovergestelde gevolgtrekkingen brengen, dan de Vegetariërs er uit gemaakt hebben. Want juist in de Heilige Schrift, is de

Sluiten