Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wijsheid of wetenschap intusschen, waarvan onze grieksche zegslieden werk maken, is hiermede ook volgens hen nog niet geheel gekenschetst. Een bekwaam werkman,, die let op de dingen waarmede hij te doen heeft, verzamelt een menigte van „ervaringen", waarvan de toepassing de waarde bewijst, en waaraan wij den naam van „kennis" niet mogen onthouden. Immers hij onderkent de dingen, noemt vele hunner eigenschappen en betrekkingen, en voorspelt veelal hunne gedragingen. Zelfs is hij wel in staat, hetgeen hij daarvan te zeggen weet, door proefneming te staven. Keeren wij echter tot de aangehaalde inleiding van Aristoteles terug, dan zien wij dat deze in zoodanige kennis wel de eerste voorwaarde voor de bedoelde „wijsheid" vindt, doch zich daarmede niet tevreden ste'.t. Namelijk bij. het weten, dat iets aldus gesteld is, in hoevele bizonderheden het ook moge afdalen, moet nog het inzicht komerv in gronden of oorzaken , waaruit die gesteldheid ontspringt. De kennis dat het zoo is moet worden aangevuld met die van het waarom. Wijsheid is voor den wijsgeer een weten van gronden en beginselen 1).

Ditzelfde beschouwen wij nog heden als het eigenaardige der wetenschap in den strengen zin des woords. Niet alleen dat de kennis, bij gelegenheid van andere bemoeiingen verzameld, van geringer bedrag zal zijn dan zij die men met opzet en overleg vergadert, maar ook hare hoedanigheid laat iets belangrijks te wenschen over: het ontbreekt haar aan samenhang, aan eenheid; om deze ishet ons almede te doen, en wij wachten haar van de ontdekte gronden. De kennis van verspreide feiten, hoe

*") L. 1. cap. i in fine: 'II joi/ia nSQi itvag aitiag xal ag/ag ianv innjtilfttj.

Sluiten