Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder dringende noodzakelijkheid schijnt het intusschen niet geraden, dien weg ter verklaring van ons waarnemen in te slaan. De kennis, zelfs van het met oogen zichtbare, die wij bij onze natuurgenooten niet enkel onderstellen maar aantreffen, bevinden wij als eerst langzamerhand, ten gevolge van vele waarnemingen en het nadenken daarover, bij hen ontstaan. Zouden zij die kennis niettemin van dei> beginne, juist wat de algemeene typen, het meest gewichtige voor de theorie, betreft, met zich omdragen, en enkel nog te zoeken hebben naar de verdeeling der reeds bekende zaken in de ruimte en in den tijd ? Dan ware zeker het wetenschappelijk onderzoek, dat uit het plaatselijk en tijdelijk optredende tot het algemeene of typische tracht door te dringen, een hoogst omslachtig werk met een magere opbrengst, en deed men verstandig met een rechtstreekschen toegang te zoeken tot den verborgen schat van wijsheid in ons binnenste. Nu kan men wel niemand verbieden, den weg der wetenschap te verlaten voor dien van ik weet niet welke verstandelijke schatgraverij; — doch hij die bedenkt, dat wij voor het bestaan van dien schat geen beteren waarborg dan een gissing hebben, en voor zijne dadelijke toegankelijkheid geen aanwijzing hoegenaamd, zal zich met de kleine doch zekere winst van het gewone onderzoek tevreden stellen. Wij voor ons hebben ons voorgenomen, den weg van dit laatste te bewandelen, en verlangen te weten, waarheen hij ons leidt; zoodat wij een aangeboren kennis van alle mogelijke zinnelijke verschijnselen buiten rekening laten, zoolang wij niet volstrekt gedwongen worden, haar tot verklaring van bepaalde feiten, te onderstellen.

Er zou dus voor het oogenblik overblijven, dat de geest, die tegenover zekere hersentoestanden staat, niet vooraf

Sluiten