Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begeeren strookt of strijdt, en daardoor als aangenaam of onaangenaam gekenmerkt wordt. De geest let min of meer op hetgeen in zijn eigen bewustzijn omgaat, niet slechts in zoover het naar deze of gene voorwerpen wijst, maar als op den oogenblikkelijken en wisselenden inhoud van zijn eigen bewustzijn. Hij komt zich voor als een toeschouwer tegenover dien inhoud-zelven („reflecteert" daarover), en werkt daarop in met deze of gene oogmerken. Voorts leert hij uit de voorvallen in zijn bewustzijn een aandeel ontwarren dat door hemzelven is bijgebracht, en vormt zich denkbeelden van zijne eigene verrichtingen en bedoelingen. Zoo worden dan ook in zijne synthese en analyse, waardoor een gedachte wereld allengs voor hem verrijst, allerlei elementen uit de zinnelijke waarneming in ruimere beteekenis, en ook uit de eigenlijke inwendige of zelfwaarneming opgenomen, en verkrijgt de voorstelling van het werkelijke een niet louter lichamelijk aanzien.

Men heeft weliswaar, tot vereenvoudiging der theorie, moeite gedaan om de inwendige waarneming als onmogelijk of overbodig op zijde te schuiven '), doch moest dan toch zelf gedurig gewagen van zaken waarvan geen der uitwendige zinnen getuigt, en die men evenmin voor vrije scheppingen der verbeelding zou durven uitgeven. En wil men b.v. vreugde en droefheid, of begeerten, herleiden tot lichamelijk gebeuren, dan is dat een kwalijk gerechtvaardigde bizondere theorie betreffende een oorsprong van gegevens, die wij niet als verplaatsingen van lichaampjes of scheikundige veranderingen hebben waargenomen, uit een andersoortig gebied waartoe deze laatste behooren.

') Over de bezwaren, aan methodische inwendige waarneming verbonden, zie Wundt, Logik II. p. 482, Spitta, Einl. in die Psych P- 43 vv.

r>

Sluiten