Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooreerst schuldig blijven; immers het valt zelf geheel of grootendeels buiten de perken van het bewuste leven, en geene voorstelling daarvan dringt zich, zooals bij de lichamelijke dingen, aan den wakenden geest op.

Deze feitelijke positie van den geest, waarin geene wetenschappelijke onderrichting verandering vermag te brengen, — zoomin als alle kennis van lichtbreking in regendroppels ons ontslaat van de noodzakelijkheid, den regenboog als een ergens aanwezig gekleurd lichaam te zien, of een schuins in het water gestoken stok als gebroken, — wordt, wanneer men ze eenmaal als werkelijk bestaande heeft leeren kennen, licht verkeerd begrepen, en leidt dan tot onjuiste gevolgtrekkingen.

Den geest is niets dadelijk gegeven dan die eerste inhoud van zijn bewustzijn en de middelen om daaruit een gedachte wereld op te bouwen; dit leert ons, wanneer wij het nauwkeurig nagaan, de ervaring-zelve. De lichamelijke wereld, waarvan wij onder aanleiding van buitenaf het beeld allengs onvrijwillig tot stand brengen, is echter voor den geest zijn voorwerp, van hemzelven onderscheiden, waarmede hij eerst langzamerhand bekend wordt, en dat hem gedurig nieuwe vraagstukken voorlegt; en komt hein daarom voor als iets dat zonder zijn toedoen zoo bestaat, en in onmiddelijk verkeer door hem allengs wordt opgevat. Het voorwerp en de opvatting daarvan neemt hij, zoolang hij niet door verder nadenken tot een ander inzicht is gekomen, voor dezelfde zaak in tweeërlei betrekking, als werkelijk en als voorwerp van denken; hoogstens voor twee soortgelijke zaken, die met elkaar eenvoudig verwisseld kunnen worden. Men noemt deze beschouwing van het feit der kennisneming, waarbij het voorwerp als inhoud eener voorstelling, met het bestaande

Sluiten