Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze uiterste graad van „idealisme" bracht dus in de wijze van doen van 'net natuuronderzoek en de verdere wetenschap, in het belang dat wij bij de waarheid hebben, en in het bestuur van ons leven, geene de minste verandering. Tenzij men misschien ') een Ik zonder gehechtheid aan normen verdichten wil, een ander Ik dan wij bij ervaring kennen; doch ook de kansrekening, waaraan dat wezen in het beste geval zijn richtsnoer hebben zou, bleet' dezelfde, hetzij de werking eener zelfstandige wereld of de geregelde loop zijner gewaarwordingen hem het lief en leed aanbracht, dat hem alleen belangrijk scheen.

Het is dan ook historisch, dat Johann Gottlieb Fichte J), voor vvien „alles in het Ik zijne eigene daad'' is, en het zoogenoemde Niet-ik slechts „beperking der oneindige werkzaamheid van het Ik door zichzelven", niettemin de bestemming des menschen in de samenleving zoekt in „volmaking van anderen door op hen als op vrije wezens terug te werken;" terwijl juist de nadruk waarmede hij het leven in den dienst stelt der hoogste idee, een hoofdmoment is in zijne oogenschijnlijk egoïstische leer.

Wij voor ons behoeven zoover niet te gaan als hij. De onvermijdelijkheid der indrukken, waardoor het werk van den geest onverwachte richtingen ontvangt of ook wel afgebroken en gestoord wordt, maakt het moeielijk, het Niet-ik in zijn diepste wezen te houden voor niet anders dan het Ik, in zoover dit zichzelven als een vreemde tegeiroet treedt om een voorwerp te hebben van zijne werkzaamheid. Men blijft toch genoodzaakt om tusschen

1) Met den boven aangehaalden Stirner.

O 1762—1814. Men leze slechts zijne beroemde voorlezingen Ueber die Bestimmung des Gelehrten.

Sluiten