Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieeft hij uit de ervaring kunnen aflezen, al was zij het die hem op den weg bracht om ze te vinden; hij bezit dus zijn denkbeeld van werkelijkheid, van „zijn," alleen als een onontbeerlijke onderstelling, een eisch of „postulaat." Zoozeer onontbeerlijk, dat, wilde hij het verwerpen, dit zou neerkomen op het zinledige beweren, dat er in werkelijkheid geen werkelijkheid bestaat!

Nu valt het niet te ontkennen, dat naarmate wij in kennis vorderen, het den aanschijn heeft dat de absolute werkelijkheid voor ons terugwijkt. Hoe langer hoe meer van hetgeen wij waarnemen, blijkt enkel als verschijning te kunnen worden verstaan, waarachter de toestel die haar voortbrengt, of het eigenlijke, zelfstandige „zijnde," verborgen blijft. In menig geval waarin het kind de werkelijkheid meent te vatten, begrijpt de ongeleerde volwassene reeds dat het den schijn voor het wezen heeft aangezien; en waar deze beter onderrichte nog het zelfstandig ding b. v. voor blauw of zoet houdt, zal de natuurkundige aan groepeering en beweging van atomen en hunne inwerking op het bewustzijn denken. Wijsgeerig onderzoek noopt ons, in dezelfde richting nog verder te gaan. Het „zijn" in den volsten zin des woords laat zich al minder en minder teruggeven in de gedaante hetzij van waargenomene verschijnselen of van iets dat daarop gelijkt. Vandaar dan bezwaren over onkenbaarheid van het „wezen" der dingen. Daartegenover staat de bevinding, dat juist de mogelijkheid van de verschijnselen tot een daarachter liggend wezen terug te brengen, ons inzicht vermeerdert, niet enkel door de verwerping van voorstellingen, waarvan het uitkomt dat zij nog geene kennis waren, maar door het aanvaarden van andere, die tot proefhoudende verwachtingen leiden. Laat

Sluiten