Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan hij weinig inbrengen tegen een gelijkstelling van zijne taak met die van een wilde, die uit de hem toegezondene kogels de inrichting en bediening van het geschut en de samenstelling van het buskruit zou moeten raden. Alle elegische of cynische levensbeschouwingen die men daaraan wil vastknoopen, vinden hem weerloos. Doch is reeds het stellen eener werkelijkheid in onderscheid van de verschijning zijne eigene daad; besterkt hem bovendien de praktijk in de bewering dat zijn theoretisch werken, en het werken der wereld die hemzelven voortbracht en draagt, uit hun aard bijeenbehooren; dan heeft hij geen voorwendsel om niet kloekmoedig voort te gaan met zijne in beginsel gestelde werkelijkheid aan de hand der ervaring tot een tafereel uit te werken.

12de Hoofdstuk: De geest tegenover de ervaring.

De moeielijkheid aan het omschrijven van het denkbeeld van den „geest" verbonden, die zich enkel aan en in den inhoud van het bewuste leven als toeziende en regelende macht kenbaar maakt, heeft sommigen, zooals John Stuart Mill !) na David Hume, op den inval gebracht, hemzelven in zijne voorstellingen geheel te doen opgaan. Hij zou niet anders zijn dan een bundel, groep of reeks van toestanden van het bewustzijn, begaafd met het vermogen van zichzelf als een reeks te aanschouwen, en verrijkt met het geloof aan een blijvende mogelijkheid van dergelijke toestanden 2). Tot zulk een „mogelijkheid" wordt hier de geest,

1) 1806—1873. Van de nieuwere beschouwingen omtrent dit vraagstuk is onlangs een kritisch overzicht geleverd in het aangehaalde werk van Witte, das IVesen der Seele.

*) „ . . . a series of feelings which is aware of itself as past and future, . . . with a background of possibilities of feeling" QAn Exa-

Sluiten