Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en elk zijner voorwerpen insgelijks, teruggebracht. Doch waar de toestanden inderdaad een veelheid van afzonderlijke elementen uitmaken, ziet men des noods wel, dat éen daarvan de aanschouwing van een reeks kan zijn, doch niet, hoe de geheele reeks bijeengenomen de rol van een enkelen aanschouwer vervullen zou. Voorts behoort bij het „geloof" (indien het woord een zin zal hebben) een geloovige die het koestert, en een „mogelijkheid is niets verstaanbaars zonder een werkelijkheid, die het eene duldt en het andere niet lijden zou. Wie staande houdt, dat het een of ander voortdurend kan plaats vinden 'j, neemt aan (of de stelling houdt niets in), dat de voorwaarden waaronder het volgens geldige wetten plaats vindt, voor een aanmerkelijk deel bij voortduring werkelijk aanwezig zijn. Voorstelling, aanschouwing, geloof, vereischen een iemand, een geest, wien zij toekomen; in de ervaring komen zij nergens als zelfstandige gegevens voor. Misschien zou men kunnen toegeven, dat bij voortgezet onderzoek de eenheid van den individuelen geest wel eens kon blijken betrekkelijk in plaats van oorspronkelijk te zijn, en meer op die van een genootschap te gelijken; maar de samenwerkende leden van dat genootschap zouden dan niet de toestanden of de voorstellingen zijn, maar zekere onwaarneembare zelfstandige dingen of wezens.

Met dat al, wie een geest erkent, is daarom nog niet

mination of Sir IV. Hamiltoti's philosophy, 2d ed. p. 212), Vgl. de bedenkingen van M* Cosh, dn Exam. of Mr. J. S. M. 's phil. p. 87 etc.

1) „The permanent possib ility of feeling, which torms my notion of myself, is distinguished, by important difterences, from the permanent possibilities of sensation which forin roy notion of what I call external objects." (Mill, p. 206).

Sluiten