Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag: Wat hebben wij als éene plant of éen dier aan te merken? En waar twee groepen geheel dezelfde samenstelling hebben, als bij twee muntstukken, in specie, gewicht en stempel geheel gelijk (al mocht dat uitzondering -zijn, het kan toch voorkomen), brengen wij ze tot twee dingen enkel omdat zij nimmer dezelfde plaats bezetten. Dat dit alleenzijn echter voor ons niet de eerste voorwaarde is voor een bestaan op zichzelf, zoodra wij niet juist aan lichamen denken, zien wij aan de onder het menschdom verspreide voorstelling van bezeten-zijn, waar mensch en daemon bij beurten uit hetzelfde lichaam spreken. Ja men kan herinneren aan de lang volgehoudene aanwezigheid van zoogenoemde warmtestof in (niet slechts tusschen) ijzer, waar de eene ons de hand verbrandt en het ander ze door zijn gewicht naar beneden drukt >). Al zijn zulke voorstellingen voorlang prijsgegeven, zij ontmoeten toch geen bezwaar in de gebruikelijke opvatting van het eene ding en zijne vele eigenschappen. Slechts dit bleef daar van de plaatselijke scheiding over, dat de mensch en de daemon, of de warmtestof en het ijzer, uit elkander en elk zijns weegs konden gaan. Doch van meer gewicht nog dan het alleenzijn van het ding is naar het algemeen gevoelen zijn onafgebroken voortbestaan, en vooral zijn bepalen der verschijnselen die het oplevert door zijn eigen ■onveranderlijken aard.

1) Nog een voorbeeld uit een veel ouder tijdvak. Bij Aristoteles bestaat datgene wat wij chemische verbinding zouden noemen, niet in een overgaan van het een in het ander («Uoia/trts), noch in het bijeenzijn van twee stoffen (.ovv&eaig^, maar in een in-elkaar-zijn (.di'olov xoa<ug~), waarbij elk kleinste deeltje aan elk ander gelijk 's Ció fii/itcv óuotoiisoés^i terwijl toch de verbondene stoffen vatbaar blijven oin in hare oude hoedanigheid wederom te worden afgescheiden.

/

Sluiten