Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als praemissen, uit welke te zamen een derde als conclusie ontspringt. Van de drie termen A, B en C komt éen (de „middenterm") ') in de beide praemissen voor, en de beide andere zijn die der conclusie. Het subjectbegrip der conclusie lieet de terminus minor, en haar praedicaatbegrip de terminus major; hiernaar (en naar niets anders) worden de praemissen die deze termen bevatten, als (propositio) minor en major onderscheiden. In gewone gevallen als de pasgenoemde kan de major worden beschouwd als bevattende den algemeenen regel, de minor als de opgave van een bizonder geval, op hetwelk de conclusie dien regel toepast; vandaar die benamingen J).

Onze voorbeelden toonen alverder, dat de middenterm althans in de major hetzij als subjectbegrip of als praedicaatbegrip kan voorkomen, en dat ten minste de minor en de conclusie van verschillende quantiteit en qualiteit kunnen zijn. Brengen wij dezelfde variatiën aan ook daar waar wij ze tot nog toe niet vonden, dan verkrijgen wij alvast, door verplaatsing van den middenterm (M), vierderlei „figuur" van het syllogisme:

MO QM MQ OM

I v II III IV

PM PM MP MP

PO PO- "TÖ PQ

Door de quantiteit en qualiteit, die bij elke der praemissen tweeërlei kunnen zijn, ontstaan er zestien, of voor

1) Tö fxiaov, (terminus) medius, tegenover ia óixya, extremitates, de twee andere termen („bui ten termen".), die in 10 jxeliov en lii tXttxiov onderscheiden worden.

") De minor placht men bij de oude akadetnische disputatie met atqtti, de conclusie met ergo in te leiden. Van daar heden nog wel de uitdrukking atqui-ergo ten teelten dat men streng meent geredeneerd te hebben.

Sluiten