Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de behandeling dezer redetieeringen ontstaat allicht weder eenig misverstand. B.v. waar in de leden van het disjunctive oordeel hetzelfde algemeene subject schijnt op te treden, is dit niet altijd het geval. „Alle A is of Q öf R öf S" kan (i°.) bedoeld zijn voor het geheele gebied, waaraan wij slechts niet weten, welk van de gegevene praedicaten te moeten hechten; — doch het kan (2".) evenzeer beteekenen, dat elk A op zichzelf hetzij Q of R of S is, anders gezegd, dat het begrip A juist ingedeeld wordt in AQ, AR en AS. Hier zou men allicht meenen, met dat „elk A" als subject, een derde („distributief") oordeel naast het algemeene („alle A is of enz.") en het bizondere („eenig A is öf enz.") ontdekt te hebben; t. w. „A is deels Q deels R deels S." Inderdaad is het niet anders dan een verbinding van bizondere kategorische oordeelen (uA = pAQ, vA = qAR, wA = rAS), waarmede een divisie van A in uA, vA en wA gepaard gaat; en zulk een divisie is niets anders dan een afzonderlijk algemeen oordeel omtrent de som of de vereeniging der voorwerpen A, waaraan eenzelvigheid (identiteit) met de som der uA, vA en wA bijeengenomen wordt toegekend. — Eindelijk (3".) kan, bij de slordigheid van ons gewone taalgebruik, de uitdrukking: „alle A is öf Q of R óf S" nog een staat van weifeling te kennen geven tusschen de twee zooeven onderscheidene gedachten. Is alvvat A is, gelijkelijk een van drieën, of zijn misschien de hoedanigheden Q, R en S over verschillende A verdeeld? Alleen zooveel durven wij beweren, dat voor een A geen praedicaatbegrip behalve de drie in een toekennend oordeel in aanmerking kan komen. Zoolang wij onze gedachte niet duidelijker uitdrukken dan in zulk een volzin van onzekere beteekenis, kan daarover niet beslist worden.

Sluiten