Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trek of smaak, die met waarheidszin niets te doen heelt, en waarover men niet in vruchtbare discussie treedt.

De onderstelling der bevoegdheid van den geest ligt opgesloten zoowel in het weten als in het gelooven; het laatste, zoover het voor een redelijk wezen past, en hier in aanmerking komt, voorziet in liet tekort van voor ieder geldige redenen door wenschen, die het erkent dat niet door ieder die denkt gedeeld behoeven te worden. De onderstelling waarvan wij spreken is daarentegen onafscheidelijk van ieders wensch om iets te kunnen beweren; en daar de geest niet buiten zichzelven treden kan, komt zij neer op het aannemen van de redelijkheid der rede, op een handhaven van zichzelven voor zichzelven, zoodat er niets te bedenken valt waardoor het in beginsel gesteund zou kunnen worden. Alleen kan deze, als elke andere onderstelling, aan de ervaring achterna getoetst worden, en elke gelukkige uitkomst van menschelijk overleg draagt tot hare bevestiging bij, terwijl wij onze teleurstellingen op rekening hebben te stellen, deels van ontoereikende gegevens, deels van tekortkomingen in het normale denken.

Naast het denken dat in de gebruikelijke logica ter sprake komt, is weder door anderen een „hooger" denken aanbevolen, dat met name de verborgenheden van het worden of gebeuren ontsluieren zou. Dit laatste toch is voor den geest bij zijne gewone werkzaamheid een feit, dat hij naar het uiterlijke beschrijven, doch niet verder verklaren kan. Vooral Hegel ') scheen door zijne dialektische kunst het hier ontbrekende aan te vullen. Het gronddenkbeeld was

1770—1831. Minder bekend, doch in soortgelijke richting met denzelfden ijver werkzaam, was J. J. YVagner 0775 184.1), om van anderen niet te spreken.

Sluiten