Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestanden. In zijne natuurlijke verrichtingen ontwaart hij van lieverlede een trachten naar doeleinden, en een betrachten van stelregelen, dat, hoe ook door andere werkingen in het bewuste leven gekruist en gestoord, aan een groot deel van dat leven een „redelijk" karakter verleent. Dat redelijke is voor hem het behoorlijke, het normale, met welks heerschappij hij zijn eigen duurzaam belang meer en meer leert vereenzelvigen. Hij eischt het niet slechts van zichzelven in zijn denken en doen, maar onvermijdelijk eveneens van het zijnde, het voorwerp zijner kennisneming en behandeling. Hij verlangt dit te denken als een geheel, dat wegens de overeenstemming met zijn eigen wezen, voor hem even begrijpelijk is alsof hij het zelt met de hoogste wijsheid zoo had kunnen inrichten. Het is waar, eerst een voltooide ervaring zou hem in alle bizonderheden aantoonen dat het zijnde geheel aan zijn eisch voldoet; doch inmiddels neemt hij dat in beginsel aan, of hij zou niet volharden in zijne werkzaamheid.

Daar de verschijning, de wereld zooals zij zich vertoont, aan zijn eisch niet beantwoordt, is hij genoodzaakt te onderscheiden tusschen haar en het eigenlijke zijnde, de werkelijkheid, waarvan de verschijning hem voor een deel getuigenis geeft, terwijl zij hem voor een ander deel valschen schijn voorspiegelt. Dat er een „zijn behalve en achter de verschijning is, wordt hem door niets buiten haar, benevens den eisch dien hij aan haar stellen moet, gewaarborgd. Buiten verband met de verschijning heett het zijn voor hem geene beteekenis; hetgeen hij tracht te kennen, is het een in samenhang met het ander '). Hij

*) Zi/ioiat/; rij» aoyiag ne(il iwi ynieijwv 10 aïttov . • • Aristot. Met. A. 9 § 21.

Sluiten