Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet eigenaardige verschijnsel dier eenzelvigheid in verband te denken met het andersoortige dat mede tot de éene wereld behoort, en zijne theorie van deze ook in dat opzicht te voltooien ? Alleen dient er gewaarschuwd te worden tegen voorbarige uitspraken, waarbij het veelal schijnt alsof wij buiten de verschijning om een toegang hadden tot het absolute zijn, om daarvan zonder eenige bemiddeling kennis te nemen.

Ten laatste kan Laas niet toegeven, dat de geest zich in deze waarneembare wereld en dit eenmaal afloopende leven niet geheel te huis zou bevinden, en buiten het zinnelijke en vergankelijke zijn eigenlijke standplaats had. — Het is waar, beschouwen wij den mensch als een der wezens in de wereld, dan zien wij hem op aarde geboren worden en sterven, en tusschen die beide punten ligt alwat wij van zijn wedervaren, zijne belangen en bemoeiingen ontwaren. Doch hijzelf, het subject, bemerkt van zijn eigen begin en einde niets, en bestrijkt met zijn denken, belangstellen en doen een ruimte en een tijd, waarvan de grenzen in het onbepaalde uitvloeien. Aan zijn bestaan als ik hecht hij veel meer dan aan zijne hoedanigheid als een der tijdelijke aardbewoners; de wereld die lang vóór hem bestond en hem overleven zal is zijn voorwerp, niet minder dan het fragment waarmede hij als dit individu in dadelijke aanraking komt. Wel wordt door dat fragment zijn verkeer met al het overige bemiddeld; hier en thans moet hij de indrukken ontvangen, waardoor hij kennis ook van het verledene opdoet, en moet hij de maatregelen nemen, die tot ver buiten zijn kring en tot lang na zijn dood gevolgen zullen hebben. Doch immers ook onzen positivist gaat de menschheid innig ter harte, en is de geschiedenis die afgeloopen is en nog komen moet in het

Sluiten