Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij ze samenvoegen, „A + B + + N" is evenzoo

gevormd als het pasbeschouwde kunstmatige soortbegrip.

Wat de minor aangaat, waarbij alle S binnen het gebied van den kunstmatigen middenterm geplaatst wordt, staat het geval anders. Zal de conclusie meer behelzen dan de major alleen reeds inhield, dan mag S niet een willekeurig gedachte, maar moet een natuurlijke of gegevene klasse (soort of geslacht) zijn. De minor beweert, niet alleen dat A, B enz. alle tot de S behooren maar dat alle S in die A, B enz. bevat, en daarbuiten geen S. te vinden is: anders gezegd, dat S volledig wordt verdeeld in A, B enz. tot N toe. Nu weten wij J), dat de zekerheid van het volledige eener indeeling slechts daar verkregen wordt, waar de grondslag der verdeeling slechts een beperkt aantal verscheidenheden toelaat. Overal elders, dat is meestal, is de indeeling, en dus ook de minor die wij bespreken, een bij onderstelling voltooide.

En juist daar waar de waarheid van onze minor het best verzekerd is, loopt die van de major weder het meeste gevaar. Want het is slechts bij groote uitzondering dat van een soort slechts een beperkt aantal individuen kan worden aangenomen (b.v. de manen van Jupiter), en dan betreft de uitkomst der inductie ook niet meer dan een tijdelijk en plaatselijk weinig uitgebreid fragment der werkelijkheid. Eer zal men nog een geslacht aantreffen, dat blijkbaar niet meer dan zekere soorten omvat; en oordeelen over soorten zijn immers geene eerste gegevens.

De beide voordeelen, die men zich van de inductie

1) Zoo zij zich hiertoe bepaalde, verkreeg de middenterm de plaatsing die de derde syllogistische figuur kenmerkt, en ware er geene algemeene conclusie mogelijk.

O Vgl. P» 20°.

Sluiten