Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

almede te bevestigen voor het kenmerk d. De uitbreiding van het gegevene kan slechts binnen zekere grenzen, onder zekere voorwaarden geoorloofd zijn, of men zou elk bizonder oordeel tot een algemeen mogen maken („generaliseeren").

Mill ') is van meening, dat een algemeen oordeel altijd bestaat uit een samenvatting van waargenomene gevallen benevens daaruit opgemaakte 2) aanvullingen. Besluiten wij uit het sterven van A, B, en al degeren van wie wij weten, dat ook N sterven moet, dan kunnen wij daartoe komen door bemiddeling van het algemeene oordeel: „alle mensehen sterven"; de afdaling echter van daar tot het oordeel omtrent N zou slechts een gedeeltelijke herhaling zijn van hetgeen omtrent alle menschen (waaronder N)

Logic, Book IV ch. 3 § 3.

») Hij noemt dit opmaken: inference. Die bewerking zou zich hierdoor van hetgeen wij redeneering noemen onderscheiden, dat zij meer oplevert dan in de praemissen bevat is (b.v.: „In all these cases there is not really any inference; tliere is in the conclusion no new truth, nothing but what was already asserted in the premises, and obvious to whoever apprehends them" .... „Induction ... at least is, without doubt, a proces of real inference. The conclusion in an induction embraces more than is contained in the premises" — Book II ch. i). Om verwarring te voorkomen, vertalen wij het woord niet met „gevolgtrekking", want die „nieuwe waarheden" mogen waar zijn, zij „volgen" niet „uit" de praemisserf, al geven deze er eenigen steun aan; evenmin met „afleiding", hetwelk aan „deductie" doet denken. Men kan echter uit gegevens iets „opmaken" dat er eigenlijk niet uit volgt. De zonderlinge meening van Mill, dat het syllogisme zoowel als de inductie verder zou gaan dan de gegevens strekken, terwijl dat van de redeneering uit éene praemisse ontkend wordt, kunnen wij hier laten rusten, na aangeteekend te hebben dat volgens M.-zelf de „inference" dan voltooid is wanneer wij de algemeene major van ons syllogisme verkregen hebben, dus op het oogenblik waarop het syllogisme begint.

19

Sluiten