Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van plaatsinnemende „stof" zelfs nog bij Descartes ineenvloeien. Plato vond in de voorwerpen der zuivere wiskunde iets terug van het karakter zijner ideën, die buiten de wereld als modellen der wordende dingen een eigenaardig bestaan hebben, en mocht ze toch, omdat zij in de verbeelding aanschouwd werden, onder die nimmer aanschouwelijke voorwerpen van het abstracte denken niet opnemen. Wij, die ze rneenen te verstaan als eenparig gevormde gewrochten van den geest uit enkele aanwijzingen der zinnen, kunnen ze geenszins met het zijnde dat de verschijning oplevert vereenzelvigen, en evenmin voor daarnaast zelfstandig bestaande houden. Wij moeten aan den eenen kant verwachten, dat de verschijning van dingen in een ruimte, of de inrichting van het zijnde die zulk een verschijning te weeg brengt, zich in overeenstemming met de wiskundige leeringen gedraagt, — of de orde der wereld zou voor den geest onbegrijpelijk zijn. Aan den anderen kant zal het ons niet verwonderen, wanneer de wiskundige bespiegeling, in allerlei richtingen naar dezelfde beginselen voortgezet, de grenzen van het in werkelijkheid bestaanbare gaat overschrijden.

Zij neemt dan ook niet op zich, waar zij de natuurwetenschap te hulp komt, in de plaats van deze, veelmin in die der metaphysica te treden. Zij beweert niet, dat ergens in de wereld b. v. een werkelijk punt als afzonderlijk ding te vinden is, dat zich bij andere voegt of zich beweegt, en daardoor lijnen, vlakken en lichamen doet geboren worden, maar ontwikkelt eenvoudig, wat, onder de voorwaarden van onze ruimte-aanschouwing en

Ganzen haben wohl nur wenige Schriftsteller dieser [rein aritlimetischen] Riclmmg existirt".

Sluiten