Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immers ontsprongen uit liet onbekende, waarvan men zich met eenparig recht een onafzienbare verscheidenheid van voorstellingen kon vormen.

De waarschijnlijkheid is, zooals men terecht heeft opgemerkt, niet te beschouwen als een hoedanigheid van het zijnde op zichzelf. Immers alwat bestaat en gebeurt, is door zijne oorzaak, en ten slotte door de eenmaal gegevene diathese en orde der dingen en gebeurtenissen, van eeuwigheid her bepaald, tot in de verste toekomst; het is niet mogelijk maar werkelijk te zijner tijd, en vóór dien tijd reeds in het werkelijke aangelegd, stellig en onvermijdelijk toekomstig („futurum"). Waarschijnlijkheid is de hoedanigheid van voorwerpen onzer denkbeelden, daarin bestaande, dat zij eenige, hoewel onvoldoende aanspraak hebben om voor overeenkomstig met het werkelijke te worden gehouden; een aanspraak die op den staat onzer kennis berust. Dat wil, naar wij reeds opmerkten, niet zeggen, op den staat onzer overtuiging, die behalve kennis ook vastgeroeste en geliefkoosde meeningen bevat, maar op dien staat zooals hij uit de normale ervaring en het normale denken ontspringt, waarover wij voor het oogenblik, afgezien van die misleidende bijmengsels, beschikken. Waarschijnlijk is de stelling die, door een subject met zekere gegevene mate van zaakkennis, als lid in een disjunetief oordeel behoort te worden opgenomen; en daarom heeft het waarschijnlijke weliswaar een beteekenis alleen in verband met het denken, doch is voor het denken normaal, en van persoonlijk goedvinden onafhankelijk. Doordien nu de kennis, die een stelling waarschijnlijk maakt, niet eenvoudig door de inrichting van onzen geest maar mede door de hem gewordene verschijning gewaarborgd wordt, staat de waarschijnlijkheid tevens in wezen-

Sluiten