Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de hoofdzaak beschouwd wordt, zonder klaar bewust €ii opzettelijk denken tot stand, en zoo ontstaat allicht de meening, dat zij in het geheel niet het werk zou zijn van onzen eigen geest. Een ander, wiens religie zich vastknoopt aan een doordachte wijsgeerige theorie, wordt dan, alsof dat iets bizonders ware, gaarne beschuldigd van „een god van eigen maaksel" te vereeren; een spreekwijze waarmede wel bezien niets gezegd is. Immers de mensch maakt, — tenzij men hem alwat is, uit zichzelven wil laten uitspinnen, — geen god, maar hoogstens de voorstelling of het beeld van een god; die voorstelling kan hem zoo min als elke andere eenvoudig zijn ingegoten, maar hij heeft ze, met of zonder hulp of invloed van buiten, zelf moeten vormen en als waarheid aanvaarden. In denzelfden onachtzamen spreektrant zou de beschuldigde kunnen antwoorden, dat hij slechts de keus had tusschen een god van eigen maaksel en een van het maaksel van andere lieden. De voorstelling die de religieuze mensch zich maakt van het hoogste wezen, is steeds het gezamenlijke product van de door hem bereikte wereldbeschouwing en van de eischen die hij natuurlijkerwijze stelt aan een wezen waarop hij zich verlaten en dat hij van harte vereeren kan. Wie zich in dit laatste opzicht geheel bevredigd gevoelt, ondervindt zekeren afkeer van alvvat, door de wereldbeschouwing te wijzigen, den verkregen staat van evenwicht en harmonie in gevaar schijnt te brengen, en getroost zich liever de grootste leemten en tegenstrijdigheden in het theoretische gedeelte der eenmaal omhelsde leer, dan zich door herziening daarvan aan de kwellingen der onzekerheid bloot te stellen. Alleen een hooge graad van religie jegens den oorsprong van den denkenden geest en zijn voorwerp beiden geeft den noodigen moed

Sluiten