Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.zedelijkheid bij anderen door wie daar voor ziehzelven niet aan hechten, doch bovenal voor ongeregeldheden beducht zijn. — Daarentegen kan het subject ook inzien, dat zijn „beter ik", of het redelijke wezen in hem, alleen zijne behartiging verdient; het kan zijn welzijn vereenzelvigen met zijn normale betrekking tot zijnsgelijken, en daarom de voorschriften die daaruit voortvloeien, aanvaarden als de bepalingen van zijn eigen en eigenlijken wil, zijn „redewil", die in strijd met zijne van buitenaf geprikkelde lusten gehandhaafd behoort te worden. Hij wordt dan, in zijne zedelijkheid, „autonoom" in plaats van „heteronoom". Gecne verschooning of kwijtschelding heeft voor hem eenige waarde, doordien het gepleegde vergrijp tegen de norm een voldongen feit blijft en in de gevolgen voort werkt; alleen konu de herinnering daaraan den overtreder in zoover ten goede, dat hij omtrent hetgeen hem en zijnen medemenschen ontbreekt, nu beter is ingelicht, en voortaan op zijn eigen gedrag strenger toezicht

heeft leeren houden.

Tegenover de werkelijke gedragingen der menschen, die door allerlei drijfveeren worden te weeg gebracht, staan degene die de gevolgtrekking uit een norm ons aanwijst, als plichten '). Bij een heteronomistische denkwijze wordt de plicht in ieder geval verstaan als een gebod; een auto-

') In liet verkeer wordt nog onderscheiden tussehen verplichte en onverplichte, doch daarom des te meer prijzenswaardige handelingen („Opera supererogatoria''). Waar het erop aankomt, vast te stellen wat A van B vergen mag, zal er een grens moeten gesteld worden, omdat nog anderen dergelijke aanspraak hebben; wat voorbij die grens verleend wordt, is een gunst. Voor B-zclven daarentegen is ook dit nog vervulling van den algemcenen plicht om A zooveel mogelijk behulpzaam te zijn, en komt het er enkel op aan, de hulp die hij verleenen kan doeltreffend ouder A en anderen te verdcelen.

Sluiten