Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dezulken het niet alleen voor zichzelven, maar ook voor hunne natuurgenooten begeeren; — en dat wie door vrees gedreven wordt en het goede doet om een kwaad te vermijden, niet door de rede wordt bestuurd; hetgeen de werkelijk „handelende" mensch toch ook voor zijne" ondergeschikten begeert. De taal van Hobbes heeft in den mond van Spinoza een geheel andere beteekenis dan waar zij door den engelschen denker gevoerd wordt; want voor hem is de mensch niet, als voor dezen, eenvoudig het natuurwezen dat in vrede wensclu voort te leven, maar het wezen dat naar redelijke volmaking tracht. Daarom mag hij beweren, dat, terwijl volgens zijn ouderen tijdgenoot elk individu iets van zijn aangeboren recht moet opofferen aan het beschermende staatsverband, volgens hemzelven daarentegen dat recht ongeschonden bewaard blijft, en men kan zeggen dat het de ziel en de kracht uitmaakt van het geheele staatsverband dat hij zich voorstelt. In dat verband komt de redelijke kern van den mensch, waarin alle mogelijke voortreffelijkheden haren oorsprong hebben, eerst tot zijn vollen wasdom '), en wordt verhoogd hetgeen alleen den naam van onze macht verdient te dragen. Het onbedachte verwijt van „brutale machtsvergoding" past allerminst op Spinoza, die in brutaliteit het treffendste bewijs zou vinden, dat iemand zijne macht in een verkeerde richting zoekt.

Anderen hebben de reden van bestaan van den staat hierin meenen aan te wijzen, dat de natuur sommigen tot bestuurders, anderen tot ondergeschikten stempelt. De

O Etli. IV. 73: „Homo qui Ratione ducitur, niagis in civitate, ubi ex communi decreto vivit, quam in solitudine, ubi sibi soli obtemperat, liber est".

Sluiten