Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat is het nu eigenlijk, dat ons in hetgeen wij schoon noemen aantrekt? ') Bij Plato valt het schoone nog geheel met het goede samen; het een zoowel als het ander heeft zijn wezen in de heerschappij van den eeuwigen vorm der soort in het voorwerp dat tot die soort behoort, waardoor dit zoowel doeltreffend als evenmatig en eenvoudig, d. i. door niets daaraan vreemds verontreinigd is. De schoone kunst echter stelt zich niet als het nuttige bedrijf een taak die van de algemeene taak van het bestaande te volmaken deel uitmaakt; zij berust op nabootsing van reeds bestaande, altijd onvolkomene uitdrukkingen van den eeuwigen vorm, en haar werk staat daarom van dezen nog verder af dan het voortbrengsel der natuur of van een handwerk; .zoodat zij slechts met voorzichtigheid en als opvoedingsmiddel tot volmaakter leven mag worden aangewend. Eerst Aristoteles verklaart ronduit het kunstwerk voor het gehuiverde beeld der werkelijkheid, voor de vrije schepping eener geïdealiseerde verschijning. Daardoor wordt de belangstelling in de schoone kunst een element in het leven van den vrijen mensch, dat hem boven het nuttige handwerk en het daaraan verbonden winstbejag verheft.

') De voornaamste meeningen hieromtrent leert men kennen uit Max Schasler's lijvige Kritische Geschichte der Aesthetik, Berlin 1872; E. von Hartmann, die deutsche Aesthetik seit Kant, Berlin 1886; M. Guyau, Les problèmes de l'esthétique contemporaine, Paris 1884. Vroeger sprak men gaarne van „kritiek" of „oordeelkunde", daar het beoordeelen van kunstwerken hoofdzaak scheen; „aesthetiek" is in zwang gebracht door den Wolfiaan Alex. Baumgarten (1714— 1762), die een „theorie der gewaarwordingen" wilde leveren. Deze oorspronkelijke zin van het woord maakt het ook toepasselijk op een gedeelte van de leer der kennis, waar over de zinnelijke waarneming gehandeld wordt (zooals in Kant's Kritik der reinen Vernunff). Het is niet zeer treffend, doch ook niet slechter dan de meeste andere namen van studievakken.

Sluiten