Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zeggen b v. „A slaat B" of „B wordt door A geslagen". Een daad van slaan, meenen wij, gaat van A uit en treft B. In het Hebreeuwsch moet men zeggen: „slaande, man, zijnen knecht"; of met een vastknooping aan het vorige: „en hij-slaan, man, zijnen knecht" '). Nog elders drukt men zich aldus uit: „van A, B, slag"; of: „bij A, slag, B"; of wel: „A, B, hij slag hij"; of ook: „van A, B, zijn slag." Nu zijn deze spreekwijzen zonder twijfel oorspronkelijk ontstaan uit onderscheidene wijzen van hetgeen tot éen staat van zaken behoort, punt voor punt op te merken, en vertegenwoordigen zij evenzoovele verschillende, onderling gelijkwaardige gedachten, hoewel er althans bij de meeste iets aan de volledige uitdrukking ontbreekt. Doch het is zeer de vraag, of iemand in de voorstelling die hij van den aangeduiden staat van zaken heeft, op den duur gebonden blijft aan de opvatting zijner oudere taalgenooten, en niet veeleer van den geijkten zinbouw gebruik maakt lang nadat hij zich in de beschouwing der voorwerpen van de vroegere gewoonte heeft losgemaakt. Evenals wij blijven zeggen: „Pegasus is het paard der Muzen", zonder te erkennen dat Pegasus „is"; of „niemand is onfeilbaar", zonder te meenen dat wij iets omtrent een wezen namens „niemand" beweren. De taal die wij voeren, is niet de hoorbaar of zichtbaar gemaakte gedachte, maar het voortbrengsel der gedachte in verbinding met andersoortigé werkingen in het geestesleven en dat des lichaams, geschikt om onder zekere voorwaarden anderen tot het vormen van dezelfde, of nagenoeg dezelfde gedachte te bewegen.

') Hikku ish et-ah do en wajjak ish et-abdo. Over de oorspronkelijke beteekenis dezer verbale vormen zie mijne Hebr. Grammatica, I, Amst. 1869, § 96b en 188.

Sluiten