Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar niet öf het maatschappelijk beroep óf de bizondere opleiding, öf beide te zamen iemand klaarblijkelijk aan eene van haar verbinden, spreekt men van een liefhebber, een al of niet verdienstelijken dilettant. Het is niet noodig, dat zulk een erkende deskundige de algemeene theorie van het vak vooruitbrengt, naardien het bijeenzamelen van feiten en het toepassen der verworven kennis als wetenschappelijk geregeld werk evenzeer tot dat vak behooren, en iemand die daarin tehuis is geheel in beslag kunnen nemen. Evenzoo zal een kunst als de muziek vertegenwoordigd moeten heeten ook door hem die geene eigene werken schept, doch na de vereischte studiën er zijn dagelijksch werk van maakt, de scheppingen van anderen te doorgronden en ten gehoore te brengen. Bij de wijsbegeerte begeeft ons al dadelijk het kenmerk dat aan het beroep ontleend wordt. Wil men voor een professionelen wijsgeer dengene verklaren, die met een daarop doelenden akademischen titel is versierd, misschien tot troost over het gemis van een die meer aanzien in de wereld geniet? of hem die de opdracht aanvaardde, leerlingen omtrent het wezen en de gemaakte vorderingen der philosophie in te lichten? Terecht wijst Schopenhauer op het wezenlijk verschil tusschen een wijsgeer en een leeraar „in de wijsbegeerte"; hoewel hij, in persoonlijke verwachtingen al te spoedig teleurgesteld, het dwaselijk voorstelt als een tegenstelling tusschen ja en neen. Iemand kan uitmuntend onderwijs geven zonder het vermogen om theoriën van waarde te bedenken; en dit zou toch de eigenaardige taak van den wijsgeer zijn, aangezien hij partij trekt van reeds gedane waarnemingen, en er voor hem niets te doen valt dat zich met geneeskundige of rechtskundige praktijk, of met het voordragen van dicht- of toonwerken vergelijken laat. Hetgeen men anderen leeren kan is van

Sluiten