Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pakketten, welke deerlijk door den mot worden opgevreten en vernield, hebben in 't algemeen betrekking op den polder.

Dank de weinige mij bekende archiefstukken en hetgeen ik hier en elders vond, ben ik toch geslaagd enkele bijzonderheden te kunnen mededeelen, welke ik thans hier laat volgen.

De Iste Ambachtsheer

was, zooals wij hiervoor vermeld hebben het Kapittel van de S. Mariakerk te Utrecht, dat nu eens de tienden, cijnsen en andere inkomsten der Heerlijkheid verpachtte of in eigen beheer nam. Het oudste mij bekende stuk, daarop betrekking hebbende, is van 1310. Er zijn echter oudere stukken, welke de grenzen en tienden nader regelen. Wij zullen ze hier eenigszins toelichten en ze chronologisch als Bijlagen laten volgen.

De Hceren van Amstel, die leenmannen waren van den Bisschop van Utrecht, bezaten vele goederen rondom Kortenhoef. Egbertus van Amstel, die leefde van 1131 tot 1172, 1) niet tevreden zijnde met zijn eigen.bezitting, eigende zich enkele tienden toe van het Kapittel van S. Marie. Reeds ten tijde van Bisschop Herbert had hij oneenigheid daarover gehad, welke twist echter in der minne was beslecht. In 1156 vergreep hij zich opnieuw en de Kanunniken met hun voorspreker Hendrik Graaf van Gelder, dienden eene aanklacht in bij Keizer Ferdinand. Niet alleen liep het geschil over de cijnsen en tienden, maar ook over de hoegrootheid van de landen, toebehoorend aan het Kapittel. De Keizer benoemde vier scheidsmannen, wonende in de buurt van Kortenhoef, die, voorgelicht door de »eerlijkste landzaten van die landstreek", de grenzen zouden regelen. Hunne namen waren Wouter en Albrecht van der Aa, Hendrik van Loenersloot en Allard Cultcll, die onder eed beloofden, naar hun beste weten de geschillen te onderzoeken. Zij verklaarden dat aan het Kapittel behoorden:

1) Historie der Heeren v. Amstel, door Van Spaen.

Sluiten