Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verpacht aan Peter, zoon van Herman, een akker, gelegen in het gerecht van »Cortehoeve," begrensd van boven aan een akker van genoemden Peter, van onderen aan dien van Jan Brunic, voor de som van «viginti grossorum Turonenseum" (twintig Doornicksche grossen) welke hij aan den rentmeester van het Kapittel moet betalen. De eene helft in de eerste vijftien dagen na Sint Martinusdag in den winter; de andere helft na S. Pietersstoel (den 18 Januari). Deze pacht was voor eeuwig. Mocht evenwel de pachter of zijne erven nalatig zijn in het betalen der pachtsom, dan verliezen zij alle recht op den akker. Aan het stuk hangt het zegel van het Kapittel.

Het zesde document i) is eene verklaring van Gijsbrecht, heer van Abcoude en Gasebeke, ridder, die erkent »int jaer Ons Heren dusent driehondert acht ende veertich, des Vridaghes na Sinte Philips ende Sinte Jacopsdaghe" ontvangen te hebben gedurende zijn leven lang de »gerechte, tinse ende tienden" van Kortenhoef en van Ankeveen van het Kapittel van S. Marie voor een jaarlijksche pacht van >hondert ende seventich ghulden scilden (gouden schilden) goet van goude, van volre wichte ende van goeden monte, jof (of) payment daervoer na

dier werde.'' Hij stelde als borgen:

Heer Ghisebrecht van Loenresloet. Heer Symon van Haerlem.

Heer Vrederic utten Hamme.

Heer Jan van Broechusen.

Stephen van Zulen.

Henric van Broechusen.

Voor de geschiedenis der borgstelling uit vroegere eeuwen is dit stuk zeer merkwaardig. Gijsbrecht belooft de pacht te betalen »binnen hore montade 't Utrecht".

Ridders. Knapen.

I) Liber rilosus der Kerk van s. Marie blz. 75. Rijksarch. te Utrecht. Zie Bijlagen n°. C.

Sluiten