Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden, in de toekomst, waar de misère van nü dan toch reddeloos verloren voor bleef! En hij was altijd

blijven droomen van een plotselinge revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.

Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na.

Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en propagandeeren, en wat al niet meer, om eindelijk dan weer een paar sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen duurde de misere voort, en werden de ongelukkigen van nü er niet door geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen der verlorenen", al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als zij dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren ?

Sluiten