Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan, mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen, die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig trokken met hun in spanning verwrongen gezichten.

Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht...

Totdat opeens de deuren opengingen.

Nü was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een maal van uitgehongerden na een beleg.

Dein zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school, knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en waaraan ze toch wiskunstig-zékèr allen geplunderd zouden worden. Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier.

Sluiten