Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal.

Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan

een ongeluk. Hij keek, en keek Eindelijk zag hij

iets. Daar, in de verte, op het groene grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in zijn bek.

Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte gallen, als voor vogels.

Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op, eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen, vloog dan weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige lucht.

Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig slaande met de vlerkjes.

De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in zijn bek, holde weer weg.

Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid, in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank gelukje, omhoog...

Pang! Pang!

En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan, met opengesperden muil

Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne, aten gebak en vruchten

Sluiten