Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe" van de houtduif in het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn vvijtje.

Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend dóórknalden, en de duiven een voor een neerdaalden ten droeven dood.

„Kom! kom!" zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nü weer, mijn brave? Kan ik je helpen?"

Paulus schrikte op.

Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een beetje medelijdend aan.

Paulus greep hem krampachtig bij den arm.

„Zie je dat daar!" riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen. „De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie, witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de

Sluiten