Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen voor het donderende lawaai van de straten der groote stad ! Maar o! als maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon.

Sluiten