Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde: „— Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met

zulke dingen mag je, niet spotten wat héb je er

aan, mij zoo voor den gek te houden?...."

„— Maar het is waar, kerel ik spot héusch

niet *

„— Och.... dat kan toch niet de prinses

kan toch niet houden van zoo'n bruut...."

„— O! Wat een broekie ben je, Paulusje

hóuden.... alsof een koningin zou behoeven te hóuden .... dat is goed voor het volk bij een koningin

geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk

en van het vorstenhuis het is héusch, héusch waar,

Paulus.... Maar wat schéélt je, kerel? "

Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. Marcelio hoorde hem stamelen: „Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen

van de straat zónder liefde.... alléén voor eene

belooning van glorie of belang.... een veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio .... het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen ... ?"

Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij de vuisten in de lucht.

Marcelio snelde op hem toe.

7

Sluiten