Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was, die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen, een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan. •—

Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid die om hem heen bleef, al was hij altijd matig geweest in eten en drinken.

Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de literatuur te wijden, en

Sluiten