Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister was.

Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen", en zijn jammerlijke zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden zij aan zijn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het nü wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter Wartenau:

„Het is nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed bij het eindelooze wee der onbewuste massa's?"

Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns aanschijns, om de kleine minderheid te dienen.

8

Sluiten