Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Eindelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te kunnen leven, tóch was er iets als ofïfering in, het liefste en teêrste in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd voor spot en hoon en verguizing.

En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om

Sluiten