Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat officiéél erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man niets heilig."

„— En bovendien," zeide Jacob Duval, als om het laatste, dóóddoende argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren."

Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine, obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!

En Wederich, ééns Lavelane's beste vriend, hij bleef zitten of er niets gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! Hij zat daar, „heer" geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.

En hier, in déze bende zou hij nu óók moeten treden; met déze menschen zou hij óók moeten

Sluiten