Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu zouden ze hem beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vrij was hij. Zijn werk zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en dan zou hij misschien wel ééns moeten

hongerlijden maar o! vrij zou hij toch zijn en

blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat glorie en wat geld?

Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem bijna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wat kon het waard zijn geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid," het lange, geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dan te had vergeleken, en al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden? Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nü, gevierd en geëerd, en Lavelane, de éénige die

Sluiten